oudheid

Economisch hergebruik van mummiekisten

RMO Deksel van binnenkist van Nesy-Ya-Neb(et)-Taoey.

Congres Vatican Coffin Project

Het Vaticaans Museum organiseert in kader van het Vatican Coffin project van 19-22 juni een internationaal congres. Vier dagen lang gaat het onder andere over het begrafenisritueel in de Derde Tussenperiode en mummiekisten uit de Derde Tussenperiode in museumcollecties. Mummiekisten uit Bab el-Gasus zijn onder andere in de Oekraïne terechtgekomen.
RMO Lindy de Klerk | Restauratie en schoonmaak op de expositiezaal

Ze heette Nessy-Ta-Neb(et) Taoey en was ergens tussen 1070 en 945 voor Christus bij Thebe een priesteres van de Egyptische oppergod Amon. Haar mummiekisten, een binnen- en een buitenkist en haar mummieplank zijn al bijna honderdtwintig jaar in het bezit van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden, maar waren nooit goed onderzocht. In het kader van een internationaal onderzoeks- en restauratieproject, het Vatican Coffin Project, zijn de kisten nu alsnog onderzocht. Wat blijkt? Op de buitenkist is de aanzet te zien van een baard en vrouwenborsten ontbreken. ‘De naam van de priesteres is op de kist geschilderd, maar haar kist is later blijkbaar hergebruikt voor een man,’ concludeert conservator Christian Greco. Ook met de binnenkist is wat aan de hand. ‘De binnenkist toont geen sporen van hergebruik, maar was gezien het geschilderde gezicht met een baard duidelijk bestemd voor een man. Het lijkt er op dat de binnen- en buitenkist niet bij elkaar horen.’

Greco denkt dat er iets mis is gegaan kort na de vondst van de mummiekisten. Beide kisten maken namelijk deel uit van een van de spectaculairste maar ook een van de slechtst behandelde archeologische ontdekkingen in Egypte. In januari 1891 ontdekte Eugène Grébaut, de toenmalige Franse directeur-generaal van de Egyptische Oudheidkundige Dienst, op het tempelterrein van Deir el Bahari bij Thebe een graf met twee lange gangen. Beide gangen stonden boordevol shabtikisten, papyruskokers, beelden, aardewerk, kanopen, rietmatten én mummiekisten; in totaal waren er 153 complete sets van mummies, binnen- en buitenkisten en mummiedeksels. Alle mummies behoorden tot de welvarende en machtige families van de priesters en priesteressen van de Amon-tempel bij Karnak. Grébaut, bang voor diefstal, liet het graf, dat de naam Bab el-Gasus (de Deur van de Priesters) kreeg, in slechts negen dagen leeghalen. ‘De kisten zijn twee keer genummerd, eerst in en later buiten het graf,’ zegt Greco. West Park Museum, Macclesfield |Aquarel van Marianne Brocklehurst van de opgraving van Grébaut, 1891 ‘Door de grote haast moeten daarbij fouten zijn gemaakt en zijn binnen- en buitenkisten en mummiedeksels door elkaar geraakt.’ Het aantal vondsten was te groot om op te slaan in het depot van het Egyptisch Museum en daarom werd in 1893 besloten om een deel van de grafinhoud aan de zes grote mogendheden van die tijd te schenken: Italië, Oostenrijk-Hongarije, Engeland, het Duitse Rijk, Rusland en Frankrijk. ‘Directeur Willem Pleyte van het RMO las hierover in de Haagsche Courant en vond dat Nederland op geestelijk gebied met de zes grote mogendheden kon wedijveren. Hij wist Buitenlandse Zaken ervan te overtuigen om via de consul-generaal in Egypte actie te ondernemen. Met succes, want een paar maanden later ontving het museum een zending met onder andere vier mummiekisten uit Bab el-Gasus. Greco: ‘Uiteindelijk hebben zeventien landen mummiekisten en andere vondsten uit Bab el-Gasus gekregen. De 153 mummies zelf zijn in de loop der jaren allemaal verdwenen.’

In 2008 is het Vaticaans Museum begonnen met onderzoek naar zijn eigen mummiekisten uit de periode 1070 en 712 voor Christus, een tijdvak waarin Egypte veel onrust kende en geen centraal bestuur had en dat bekend staat als de Derde Tussenperiode. Het RMO en het Louvre hebben zich intussen bij het project aangesloten.

In Leiden staan de komende maanden de vier sets uit Bab el-Gasus naast elkaar in een tentoonstellingszaal opgesteld. Onder het oog van bezoekers is restauratrice Elsbeth Geldhof bezig het hout en de verf van de vier kisten te onderzoeken en te restaureren. Met een wattenstaafje is een van haar assistenten bezig om een vuillaag te verwijderen. ‘We hebben die laag wel eerst geanalyseerd om vast te stellen dat het echt om vuil gaat.’ Greco wijst op de gele kleur van de kisten. ‘De meeste mummiekisten uit de Derde Tussenperiode zijn geel; alle mummiekisten uit deze periode worden daarom Yellow Cofffins genoemd.’ Uit natuurwetenschappelijk onderzoek is nu duidelijk geworden dat de gelige kleur in de door de Egyptenaren gebruikte vernis zat. ‘De vernis bevatte orpiment, een felgeel pigment, met een bijna goudachtige schittering,’ vertelt Geldhof. Greco legt uit dat het gebruik van orpiment een gevolg was van de onrust in Egypte tijdens de Derde Tussenperiode. ‘In de periode ervoor gebruikte men nog bladgoud om de gezichten op de kisten weer te geven. Tijdens de Derde Tussenperiode, die ook gepaard ging met een economische crisis, was het moeilijk om aan het dure bladgoud te komen. Verder werden graven opengebroken om het bladgoud op kisten te roven. Dat is bij een van de kisten in onze collectie ook gebeurd.’

Bij het Vatican Coffin Project vullen traditioneel egyptologisch onderzoek en modern onderzoek met natuurwetenschappelijke technieken elkaar mooi aan, stelt Greco. ‘We doen dus niet alleen iconografisch onderzoek, maar de kisten zijn ook met behulp van uv-straling en röntgen- en infraroodfotografie onderzocht en de gebruikte verfsoorten zijn chemisch geanalyseerd.’ Montage René Gerritsen | Röntgenfoto's van buitenkist van Nasy-Ta-Neb(et)-Taoey Hierdoor zijn overschilderingen, kleine schades en moderne reparaties vastgesteld. Ook is duidelijk geworden dat voor de teksten op de kisten een zwart grid als ondertekening is gebruikt en voor de figuratieve scènes een rood grid. De onderzoekers konden ook zien welke typen kwasten zijn gebruikt en dat op de ene kist rondingen met een passer zijn getekend en op de andere uit de hand. Op de röntgenfoto’s is goed te zien dat de kisten uit verschillende stukjes hout bestaan. Uit onderzoek is gebleken dat het om hout van de lokale knoestige wilde vijg gaat. Greco: ‘Door de economische crisis konden ze toen niet meer cederhout uit Libanon gebruiken.’

Een van de doelen van het project is alle kisten van Baba el-Gasus, die tot in Boedapest en de Oekraïne zijn terechtgekomen, met al hun kenmerken in een database te verzamelen. Hierna moet het mogelijk zijn om de oorspronkelijke sets te kunnen reconstrueren en werkplaatsen waar de kisten zijn gemaakt te kunnen herkennen. Dat klinkt als het traditionele onderzoek waarin de egyptologie lange tijd is blijven hangen, beseft Greco. ‘Maar die kennis moet weer gebruikt worden om meer inzicht in de maatschappij van die tijd te krijgen. Als je werkplaatsen kunt herkennen kun je aan de hand van de opschriften op de kisten ook zien welke families zich dure werkplaatsen konden veroorloven en welke niet.’

De Amerikaanse egyptologe Kathlyn Cooney van UCLA, die ook bij het project is betrokken, heeft in een recent artikel gesteld dat juist in de Derde Tussenperiode de economische waarde van een mummie zeer hoog was. Tijdens deze crisisperiode stopte de elite rond Thebe voor begrafenissen zijn geld niet meer in dure opzichtige graftombes, die makkelijk leeggeroofd konden worden, maar in dure mummiekisten die in onopvallende gemeenschappelijke graven werden geplaatst. De kisten kregen door beschilderingen aan de binnenkant de functie van graftombe, de plek waar de dode de overgang naar het hiernamaals maakte. Dat maakte het in een tijd met houtschaarste mogelijk om kisten soms opnieuw te gebruiken. Toen de rust in Egypte was teruggekeerd hield dit gebruik weer op.

Greco ziet veel in Cooney’s theorie. ‘Alleen ziet ze soms teveel hergebruik.’ Zo dacht Cooney bij een andere kist in het RMO dat een vrouwenpruik later was aangebracht en dat de kist dus eerst voor een man bestemd was geweest. ‘Uit natuurwetenschappelijk en schildertechnisch onderzoek is gebleken dat de pruik geen latere toevoeging is. Nu de kist is schoongemaakt is dat ook duidelijk te zien.’

 

De tentoonstelling Mummiekisten van de Amon-priesters in het RMO in Leiden duurt tot en met 23 september. Info: www.rmo.nl


Dit artikel is (in iets gewijzigde vorm) eerder verschenen op zaterdag 1 juni 2013 in NRC Handelsblad.





Er zijn 0 reactie(s) | Plaats reactie
Plaats een reactie
Eerder geplaatste reacties
Er zijn nog geen reacties geplaatst
Contact
naam*
e-mail* telefoonnummer
uw vraag, verzoek, goede raad, tip en/of algemeen commentaar  
aanmelden jaarabonnement TET
voornaam* tussenvoegsel achternaam*
adres*
postcode* woonplaats*
 
e-mail*  
 
telefoonnummer  
Niet alle gegevens zijn juist ingevoerd
Gebruikersnaam
wachtwoord
Blijf ingelogd
Nog geen inlogcode? Neem dan een abonnement en krijg meteen
toegang tot alle artikelen.
geef hieronder uw e-mailadres op om een nieuw wachtwoord te ontvangen
e-mailadres
U heeft nog het automatisch gegenereerde wachtwoord. Pas hieronder uw wachtwoord aan
gewenste wachtwoord
bevestig gekozen wachtwoord