archeologie

Hoe bewijs je het bestaan van een aquaduct?

 

Tussen Berg en Dal en Nijmegen zijn in het landschap enkele dalen en dijken te herkennen. Het zijn de uitgegraven en opgeworpen resten van een vijf kilometer lang Romeins aquaduct, zeggen archeologen. Nee, het is een ‘aqua morgana’, het is geschiedvervalsing, stelt Hans Schraven; hij is geen archeoloog, maar organisatiedeskundige. De Rekenkamer van Nijmegen heeft zich ook over de zaak uitgesproken, omdat Nijmegen heeft bijgedragen aan een 400.000 euro kostende wandelroute met uitkijkpunten langs de aardwerken. Na een ‘bronnenonderzoek’ stelt het controleorgaan dat er ‘gerede twijfel’ is, en dat ‘de geloofwaardigheid van het Romeinse verhaal in Nijmegen’ gevaar loopt.

De kwestie draait om de vraag: wat maakt iets een Romeins aquaduct en hoe bewijs je als archeoloog het bestaan ervan?

Een Romeins aquaduct bestond uit verschillende onderdelen, is te lezen in De aardwerken van Groesbeek: Een aquaduct voor de Romeinse legioensvesting in Nijmegen? van archeoloog Peter Schut, die in 2005 tot de conclusie kwam dat de aardwerken bij Nijmegen waarschijnlijk een aquaduct zijn geweest. Allereerst waren er een of meer waterbronnen en een natuurlijk meer of stuwmeer. Die konden op een paar kilometer afstand liggen van de plek waar het water naartoe werd getransporteerd, maar ook op meer dan tachtig kilometer, zoals bij Keulen het geval was. Het watertransport vanuit het hoger gelegen brongebied gebeurde via waterleidingen. De Romeinse architect Vitrivius raadde aan om aardewerken leidingen te gebruiken, maar er zijn uit de Romeinse wereld ook vele voorbeelden bekend van loden leidingen, uitgeholde tufsteen, uitgeholde boomstammen en houten planken die een goot vormden. De Romeinen gebruikten zoveel mogelijk het natuurlijk verval in het landschap, maar soms waren er menselijke ingrepen nodig, omdat een heuvel of dal in de weg stond. De Pont du Gard behoort tot de bekendste van die ingrepen. Het bouwwerk bij het Zuid-Franse Nîmes is zelfs zo iconisch geworden, dat de meesten mensen bij een Romeins aquaduct zich zo’n enorm bouwwerk voorstellen. Aarden wallen bij het Belgische Tongeren en het Engelse Dorchester waarover een houten goot liep, zijn voorbeelden van veel eenvoudiger uitgevoerde aquaducten.

Legerkampen

In Nederland leek een aquaduct te ontbreken. Toch gingen archeologen er van uit dat er bijvoorbeeld bij Nijmegen wel een geweest moest zijn. Bij de Gelderse stad hadden de Romeinen in de eerste eeuw voor en na Christus grote legerkampen gehad met duizenden soldaten en paarden. Die moesten toch op de een of andere manier van water zijn voorzien. In een van de legerkampen was tot nu toe maar één waterput opgegraven en die kon niet toereikend zijn geweest voor de dagelijkse waterbehoefte. Het lag ook niet voor de hand dat dagelijks duizenden soldaten de steile stuwwal waarop hun kamp lag zouden afdalen om water te halen in de veertig meter lager gelegen rivier. Het was dus zeer aannemelijk dat de legerkampen door minstens één aquaduct van water waren voorzien.

Eind jaren negentig opperde amateurarcheoloog Ben Brus dat enkele dijken en dalen tussen Berg en Dal en Nijmegen een aquaduct hadden gevormd. Schut, werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, begon in 2000 met onderzoek om te kijken of de hypothese van Brus klopte.

De archeoloog stelde vast dat de verschillende aardwerken bij Groesbeek en Nijmegen al op kaarten en in bronnen uit de zestiende en zeventiende eeuw voorkwamen. Op een kaart uit 1645 wordt een van de dalen, het Kerstendal. zelfs ‘tranchement der Romeinen’ genoemd. Een analyse met behulp van het Actueel Hoogtebestand Nederland maakte verder duidelijk dat er sprake was van een bij een aquaduct te verwachten bescheiden verval in het terrein. Ook was er een meertje dat als stuwmeer het aquaduct van voldoende water had kunnen voorzien. Onderzoek door geologen bevestigde verder dat de aardwerken door mensenhanden zijn opgeworpen en uitgegraven. Toch was Schut er niet helemaal zeker van dat de aardwerken een Romeins aquaduct waren, want in de acht proefsleuven in het tracé had hij, afgezien van een scherfje uit de eerste eeuw, geen enkele archeologische vondst uit de Romeinse tijd gedaan. Omdat alternatieve verklaringen (de aardwerken waren verdedigingswerken, wegen, bronnen voor grondstofwinning of dammen ter voorkoming van regen- en modderstromen geweest) wat hem betreft afvielen, achtte hij het toch aannemelijk dat de aardwerken een aquaduct waren geweest. Het ontbreken van materiaal viel onder meer te verklaren door aan te nemen dat de waterleiding een houten goot was geweest en dat die was vergaan. Hij sloot zijn onderzoek af met aanbevelingen voor toekomstig onderzoek dat uitsluitsel kon geven. Zekerheid is er nog steeds niet, wel zijn de aardwerken sinds 2008 rijksmonument.

De gemeente Nijmegen vroeg drie jaar later lokale bewoners om mee te denken over een bijbehorend kunstwerk. Voor Schraven als voorzitter van het buurtcomité Nijmegen-Oost reden om zich in de studie van Schut te verdiepen. Hij concludeerde dat die methodologisch niet klopte. Schut had à la filosoof Karl Popper de nulhypothese dat er bij Groesbeek en Nijmegen géén Romeins aquaduct is geweest moeten falsificeren door wél Romeins materiaal te vinden. Aangezien Schut dat niet heeft gevonden heeft zijn studie aangetoond dat ‘er geen Romeinse watervoorziening op het veronderstelde tracé is geweest,’ aldus Schraven in een schrijven aan de Rekenkamer. Aan de telefoon nuanceert Schraven die stelling: ‘Vooralsnog kan de nulhypothese niet verworpen worden.’ Hij blijft er wel bij dat de archeoloog ‘vooringenomen’ is geweest en ten faveure van zijn eigen opvatting onderzoeksresultaten heeft genegeerd. Daarmee is het onderzoek naar het aquaduct vergelijkbaar met de mikwe-affaire in Venlo, waarin miljoenen euro’s zijn uitgegeven aan een tunnelvisie en iets dat geen joods ritueel bad bleek te zijn, aldus Schraven.

Ultieme bewijs

Andere archeologen geven desgevraagd toe dat het ultieme bewijs voor een Romeins aquaduct ontbreekt. Toch menen zij op basis van Schuts onderzoek en publicatie dat de aardwerken deel uitmaakten van een Romeins aquaduct. ‘Ik ben negentig procent zeker,' zegt Harry van Enckevort van Bureau Archeologie en Monumenten van Nijmegen. ‘We hebben in de stad sporen gevonden van waterleidingen die in de richting van het aquaduct liepen.’ ‘Ik zou dezelfde conclusie hebben getrokken,’ zegt de Belgische archeologe Elke Wesemael, die onderzoek heeft gedaan naar het aquaduct van Tongeren en op verzoek van Schut naar de Groesbeekse en Nijmeegse aardwerken is komen kijken. Ook Jos Bazelmans, hoofd van de sector Kennis van de RCE en hoogleraar aan de VU, verdedigt het onderzoek van Schut. In een ingezonden brief aan De Gelderlander zegt hij dat Schut zijn onderzoeksgegevens uitvoerig, zakelijk, vergelijkend, uitputtend en daarmee wetenschappelijk integer heeft behandeld. De vergelijking met de Venlose mikwe-kwestie gaat daarom volgens Bazelmans ‘ernstig mank’.‘We hebben met Schraven ook nog een gesprek gehad om uit te leggen hoe archeologie werkt,’ voegt een woordvoerder van de RCE toe. In de archeologie betekent afwezigheid van bewijs namelijk niet meteen het bewijs dat iets niet het geval is geweest, omdat een nieuwe vondst ineens wel dat bewijs kan leveren. ‘Maar Schraven wilde er niet aan.’

Het staat wel vast dat de aardwerken door mensenhand zijn gemaakt. Wie de falsificatiemethode op de door Schraven verlangde manier hanteert moet echter concluderen dat ze door niemand zijn gemaakt, omdat ook uit andere tijden geen archeologische vondsten zijn gedaan. Hieruit blijkt dat archeologie niet een volledig empirische wetenschap is, maar ook voor een belangrijk deel is gebaseerd op interpretaties. Terwijl Schraven vindt dat er niets is gevonden, zien de archeologen wel aanwijzingen die een aquaduct waarschijnlijk maken.

B en W van Nijmegen hebben laten weten dat ze zich van het onderzoek van de Rekenkamer distantiëren en het bestaan van het aquaduct nog steeds als zeer waarschijnlijk beschouwen. Schraven, die Van Enckevort, Wesemael en Bazelmans als ‘betrokken’ beschouwt, wil een ‘onafhankelijke methodologische (her) analyse’. Volgende week spreekt de gemeenteraad zich uit.


Dit artikel verscheen in gewijzigde vorm eerder in NRC Handelsblad van 21 juni 2014.


Terug naar voorpagina

 

 

 

 

 

 

 

 


Er zijn 0 reactie(s) | Plaats reactie
Plaats een reactie
Eerder geplaatste reacties
Er zijn nog geen reacties geplaatst
Contact
naam*
e-mail* telefoonnummer
uw vraag, verzoek, goede raad, tip en/of algemeen commentaar  
aanmelden jaarabonnement TET
voornaam* tussenvoegsel achternaam*
adres*
postcode* woonplaats*
 
e-mail*  
 
telefoonnummer  
Niet alle gegevens zijn juist ingevoerd
Gebruikersnaam
wachtwoord
Blijf ingelogd
Nog geen inlogcode? Neem dan een abonnement en krijg meteen
toegang tot alle artikelen.
geef hieronder uw e-mailadres op om een nieuw wachtwoord te ontvangen
e-mailadres
U heeft nog het automatisch gegenereerde wachtwoord. Pas hieronder uw wachtwoord aan
gewenste wachtwoord
bevestig gekozen wachtwoord